I bijv. naamw.
1
goed
librarse de una buena = er goed vanaf komen
de buenas a primeras = op het eerste gezicht
de buena tinta = uit goed ingelichte bron
¡buenas! = goedenavond!; goede middag!
¡bueno! = nou, goed dan!
oud. a la buena de Dios = op goed geluk
¡bueno es Fernando para que le engañen! = net iets voor Fernando om zich te laten bedriegen!
estar de buenas = goedgemutst zijn
dar por bueno = goedkeuren
cogí un susto de los buenos = ik schrok me een ongeluk
por las buenas = ongedwongen; zomaar
una buena vida = een goed leven
ver con buenos ojos = goedkeuren
hacer buenas migas = goed met elkaar overweg kunnen
iron. ¡bueno está! = nou is het welletjes!
bueno ¿y qué? = en wat dan nog?
iron. ¡estás tú bueno! = ben je helemaal!
nada bueno = niets goeds
¡buenos días! = goedendag!; goedemorgen!
2
nuttig
geschikt
3
aangenaam
leuk
prettig
lekker
heerlijk
¡qué bueno está el café! = wat een lekkere koffie!
¡qué bueno sería! = wat zou dat heerlijk zijn!
4
flink
groot
behoorlijk
5
goedig
(goed)aardig
braaf
¡que seas bueno, nene! = wees nu zoet, kind!
de buena pasta = met een goed karakter
hombre bueno = bemiddelaar
más bueno que el pan = een echte goedzak
6
gezond
no estar bueno de la cabeza = niet goed bij het hoofd zijn
7
bruikbaar
goed
8
voldoende
genoeg
9
aantrekkelijk
mooi
iron. ¡buena la has hecho! = dat heb je weer mooi verpest!
iron. ¡estaría bueno! = dat zou wat moois zijn!
lo bueno es que ...<ook iron.> = het mooiste is dat ...
II bijw.
goed
Geen opmerkingen:
Een reactie posten