Voorbeeld:
Xavier tradujo para su amigo.
Trajiste algo a la fiesta?
yo traigo
tú traes
él/ella trae
nosotros traemos
vosotros traéis
ellos/ellas traen
yo traje
tú trajiste
él/ella trajo
nosotros trajimos
vosotros trajisteis
ellos/ellas trajeron
- yo conduzco
- tú conduces
- él/ella conduce
- nosotros conducimos
- vosotros conducís
- ellos/ellas conducen
- yo conduje
- tú condujiste
- él/ella condujo
- nosotros condujimos
- vosotros condujisteis
- ellos/ellas condujeron
- yo traduzco
- tú traduces
- él/ella traduce
- nosotros traducimos
- vosotros traducís
- ellos/ellas traducen
- yo traduje
- tú tradujiste
- él/ella tradujo
- nosotros tradujimos
- vosotros tradujisteis
- ellos/ellas tradujeron
traer
overgankelijk werkwoord
1 brengen; meebrengen
2 dragen <van kleding>; aanhebben
3 met zich meebrengen; veroorzaken; ten gevolge hebben
4 brengen <van nieuws>; vermelden
5 werven; aanbrengen <van leden>
voorbeeld: traer consigo = met zich meebrengen
voorbeeld: traer a una persona a mal traer = iemand het leven zuur maken
voorbeeld: traer y llevar = van het kastje naar de muur sturen; roddelen
voorbeeld: eso me trae preocupado = dat maakt me ongerust
voorbeeld: eso les trae locos = ze zijn er gek op
conducir
overgankelijk werkwoord
1 (ge)leiden; voeren; brengen
2 vervoeren
3 besturen <van auto>
4 de leiding hebben over
onovergankelijk werkwoord
1 leiden
2 (auto)rijden
voorbeeld: ¿a qué conduce? = wat heeft het voor zin?; waar leidt het toe?
traducir
overgankelijk werkwoord
1 vertalen
2 verwoorden
3 uitleggen; interpreteren
traducirse
wederkerend werkwoord
traducirse en vertaald worden in; resulteren in; zich uiten in; veranderen in
traerse
wederkerend werkwoord
1 in de zin hebben
2 bezig zijn met
voorbeeld: traérselas = niet mis zijn
voorbeeld: es un hombre que se las trae = met die man valt niet te spotten
voorbeeld: ¿qué se traerá ese hombre? = wat zou die man in zijn schild voeren?
conducirse
wederkerend werkwoord
zich gedragen
Geen opmerkingen:
Een reactie posten