Aquel muchacho es inteligente: Die jongen is slim.
se le erige una estatua : er wordt een standbeeld voor hem opgericht
haz que le suceda : zorg dat het gebeurt
Como ha de ser: het zij zo
Es incierto que el salga de viaje: Het is onzeker of hij op reis gaat.
Viajará usted el mes próximo? Gaat u volgende maand reizen?
Te suplico que me des dinero : Ik smeek je om me geld te geven
Es muy suyo: Hij is terughouden/gaat zijn eigen gang.
le bullía la ira : hij kookte van woede
Me das vergüenza: Je zet me voor schut
Atrapará la policía a la ladrón? Zal de politie de dief pakken?
Vais a quedaros hoy en casa? Blijf je vandaag thuis?
Se teme por sus vidas: Voor hun leven wordt gevreesd.
El zapato me aprieta. Mijn schoen knelt.
Después del accidente sólo vivió un par de horas.
¡Cómo vuela el tiempo! Wat vliegt de tijd!
Importuna sin ceso: Hij zanikt voortdurend.
Tengo que irme volando : Ik moet er razendsnel vandoor.
Se me voló el sombrero: Mijn hoed vloog van mijn hoofd.
Muchas cosas le rondaban la cabeza: Er spookte van alles door zijn hoofd.
Estas vigas sostienen todo el techo. (balken)
yo tomaría algo : ik zou wel iets kunnen gebruiken
(como ha corrido : zoals ook wel beweerd is)
me derrito de calor: ik heb het snikheet (smelten)
Pasamos mucho miedo: We vonden het heel erg eng.
Hace sueño? Heb je slaap?
Te lo aseguro: Dat geef ik je op een briefje.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten